Dutch for Beginners: Irregular Verbs

The following verbs do not follow the normal rules for the formation of the past and perfect tenses. (We have listed the meaning for some of the more important non-derived verbs.)

Present tense Past tense Perfect tense Meaning
Aanbieden bood aan heeft aangeboden offer
Aandoen deed aan heeft aangedaan
Aandrijven dreef aan heeft aangedreven
Aangeven gaf aan heeft aangegeven
Aanhouden hield aan heeft aangehouden
Aankijken keek aan heeft aangekeken
Aankomen kwam aan is aangekomen
Aannemen nam aan heeft aangenomen
Aansluiten sloot aan heeft aangesloten
Aansnijden sneed aan heeft aangesneden
Aansteken stak aan heeft aangestoken light
Aantrekken trok aan heeft aangetrokken
Aanvallen viel aan heeft aangevallen attack
Aanvangen ving aan heeft/is aangevangen
Aanvragen vroeg aan heeft aangevraagd
Aanwijzen wees aan heeft aangewezen
Aanzien zag aan heeft aangezien
Achterblijven bleef achter is achtergebleven
Afdragen droeg af heeft afgedragen
Afgaan ging af is afgegaan
Afhangen hing af heeft afgehangen
Afkijken keek af heeft afgekeken
Afkomen kwam af is afgekomen
Aflopen liep af is/heeft afgelopen
Afnemen nam af heeft afgenomen
Afsluiten sloot af heeft afgesloten
Afvragen vroeg af heeft afgevraagd
Afwijken week af is afgeweken
Bedenken bedacht heeft bedacht
Bederven bedierf is bedorven
Bedragen bedroeg heeft bedragen
Bedriegen bedroog heeft bedrogen cheat
Beginnen begon is begonnen start
Begrijpen begreep heeft begrepen
Behouden behield heeft behouden
Bekijken bekeek heeft bekeken
Beschrijven beschreef heeft beschreven describe
Besluiten besloot heeft besloten decide
Bespreken besprak heeft besproken discuss
Bestaan bestond heeft bestaan exist
Betreffen betrof heeft betroffen
Betrekken betrok heeft betrokken
Bevallen beviel is bevallen
Bevinden bevond heeft bevonden
Bewegen bewoog heeft bewogen
Bewijzen bewees heeft bewezen prove
Bezitten bezat heeft bezeten
Bezoeken bezocht heeft bezocht visit
Bezwijken bezweek is bezweken
Bidden bad heeft gebeden pray
Bieden bood heeft geboden offer
Bijhouden hield bij heeft bijgehouden
Bijten beet heeft gebeten bite
Binden bond heeft gebonden bind
Binnenkomen kwam binnen is binnengekomen
Blijken bleek is gebleken appear
Blijven bleef is gebleven stay
Breken brak heeft gebroken break
Brengen bracht heeft gebracht bring
Buigen boog heeft gebogen bend
Deelnemen nam deel heeft deelgenomen
Delven dolf/delfde heeft gedolven dig
Denken dacht heeft gedacht think
Doen deed heeft gedaan do
Doordringen doordrong heeft doordrongen
Doordringen drong door is doorgedrongen
Doorgaan ging door is doorgegaan
Doorgeven gaf door heeft doorgegeven
Doorlopen liep door is doorgelopen
Doorlopen doorliep heeft doorlopen
Doorslaan sloeg door is doorgeslagen
Doorstaan doorstond heeft doorstaan
Doortrekken trok door heeft doorgetrokken
Dragen droeg heeft gedragen carry
Drijven dreef heeft gedreven drive
Dringen drong heeft gedrongen push
Drinken dronk heeft gedronken drink
Duiken dook heeft gedoken dive
Dwingen dwong heeft gedwongen force
Erachterkomen kwam erachter is erachtergekomen
Eruitzien zag eruit heeft eruitgezien
Ervaren ervoer heeft ervaren
Eten at heeft gegeten eat
Fluiten floot heeft gefloten whistle
Gaan ging is gegaan go
Gedragen gedroeg heeft gedragen
Gelden gold heeft gegolden count, apply
Genezen genas heeft/is genezen heal
Genieten genoot heeft genoten enjoy
Geven gaf heeft gegeven give
Gieten goot heeft gegoten pour
Glijden gleed is of heeft gegleden glide
Glimmen glom heeft geglommen shine
Goedvinden vond goed heeft goedgevonden
Grijpen greep heeft gegrepen grab
Hangen hing heeft gehangen hang
Hebben had heeft gehad have
Helpen hielp heeft geholpen help
Houden hield heeft gehouden hold
Inbreken brak in heeft ingebroken
Ingaan ging in is ingegaan
Inhouden hield in heeft ingehouden
Innemen nam in heeft ingenomen
Inschrijven schreef in heeft ingeschreven
Inzien zag in heeft ingezien
Jagen joeg heeft gejaagd hunt
Kiezen koos heeft gekozen choose
Kijken keek heeft gekeken look
Klimmen klom heeft/is geklommen climb
Klinken klonk heeft geklonken sound
Knijpen kneep heeft geknepen pinch
Komen kwam is gekomen come
Kopen kocht heeft gekocht buy
Krijgen kreeg heeft gekregen get
Kruipen kroop heeft/is gekropen crawl
Kunnen kon heeft gekund can
Laten liet heeft gelaten let
Lesgeven gaf les heeft lesgegeven teach
Lezen las heeft gelezen read
Liegen loog heeft gelogen (tell a) lie
Liggen lag heeft gelegen lie (down)
Lijden leed heeft geleden suffer
Lijken leek heeft geleken seem
Lopen liep heeft/is gelopen walk
Meebrengen bracht mee heeft meegebracht
Meedoen deed mee heeft meegedaan
Meegaan ging mee is meegegaan
Meenemen nam mee heeft meegenomen
Meevallen viel mee is meegevallen
Meten mat heeft gemeten measure
Mislopen liep mis is misgelopen
Moeten moest heeft gemoeten must
Mogen mocht heeft gemogen be allowed to
Nadenken dacht na heeft nagedacht
Nakijken keek na heeft nagekeken
Nemen nam heeft genomen
Omgaan ging om is omgegaan
Omkopen kocht om heeft omgekocht
Onderduiken dook onder is ondergedoken
Onderhouden onderhield heeft onderhouden
Ondervragen ondervroeg heeft ondervraagd
Onderwerpen onderwierp heeft onderworpen
Onderzoeken onderzocht heeft onderzocht
Ontbreken ontbrak heeft ontbroken
Onthouden onthield heeft onthouden
Ontslaan ontsloeg heeft ontslagen
Ontstaan ontstond is ontstaan
Ontvangen ontving heeft ontvangen
Ontwerpen ontwierp heeft ontworpen
Opgaan ging op is opgegaan
Opgeven gaf op heeft opgegeven
Opheffen hief op heeft opgeheven
Ophouden hield op is/heeft opgehouden
Opkijken keek op heeft opgekeken
Opkomen kwam op is opgekomen
Oplopen liep op is opgelopen
Opnemen nam op heeft opgenomen
Oproepen riep op heeft opgeroepen
Opschieten schoot op is opgeschoten
Opsluiten sloot op heeft opgesloten
Opstaan stond op is opgestaan
Opstijgen steeg op is opgestegen
Optreden trad op heeft/is opgetreden
Optrekken trok op is/heeft opgetrokken
Opvallen viel op is opgevallen
Opvliegen vloog op is opgevlogen
Opwinden wond op heeft opgewonden
Opzoeken zocht op heeft opgezocht
Overblijven bleef over is overgebleven
Overdragen droeg over heeft overgedragen
Overdrijven overdreef heeft overdreven
Overgaan ging over is overgegaan
Overgeven gaf over heeft overgegeven
Overlaten liet over heeft overgelaten
Overlijden overleed is overleden
Overschrijven schreef over heeft overgeschreven
Oversteken stak over is overgestoken
Overwegen overwoog heeft overwogen
Plaatsvinden vond plaats heeft plaatsgevonden
Rijden reed heeft gereden drive
Roepen riep heeft geroepen call
Ruiken rook heeft geroken smell
Schenken schonk heeft geschonken pour
Scheppen schiep heeft geschapen create
Schieten schoot heeft geschoten shoot
Schijnen scheen heeft geschenen seem
Schrijven schreef heeft geschreven write
Schrikken schrok is geschrokken be shocked
Schuilen school heeft gescholen hide, shelter
Schuiven schoof heeft geschoven push, slide
Slaan sloeg heeft geslagen hit
Slapen sliep heeft geslapen sleep
Sluiten sloot heeft gesloten close
Snijden sneed heeft gesneden cut
Spijten speet heeft gespeten regret
Splijten spleet heeft gespleten split
Spreken sprak heeft gesproken speak
Springen sprong heeft/is gesprongen jump
Staan stond heeft gestaan stand
Steken stak heeft gestoken stab
Stelen stal heeft gestolen steal
Sterven stierf is gestorven die
Stijgen steeg is gestegen rise
Stinken stonk heeft gestonken stink
Strijden streed heeft gestreden battle
Strijken streek heeft gestreken iron; sweep
Tegenhouden hield tegen heeft tegengehouden
Tegenvallen viel tegen is tegengevallen
Terugkomen kwam terug is teruggekomen
Toegeven gaf toe heeft toegegeven
Toenemen nam toe is toegenomen
Toestaan stond toe heeft toegestaan
Toewijzen wees toe heeft toegewezen
Treden trad is getreden walk, tread
Treffen trof heeft getroffen hit; affect
Trekken trok heeft getrokken pull
Uitdoen deed uit heeft uitgedaan
Uitgaan ging uit is uitgegaan
Uitgeven gaf uit heeft uitgegeven
Uitkijken keek uit heeft uitgekeken
Uitkomen kwam uit is uitgekomen
Uitschelden schold uit heeft uitgescholden
Uitspreken sprak uit heeft uitgesproken
Uitstaan stond uit heeft uitgestaan
Uitsteken stak uit heeft uitgestoken
Uittrekken trok uit heeft uitgetrokken
Uitzenden zond uit heeft uitgezonden
Uitzien zag uit heeft uitgezien
Uitzoeken zocht uit heeft uitgezocht
Vallen viel is gevallen fall
Vangen ving heeft gevangen catch
Varen voer heeft/is gevaren sail
Vastbinden bond vast heeft vastgebonden
Vechten vocht heeft gevochten fight
Verbergen verborg heeft verborgen hide
Verbieden verbood heeft verboden forbid
Verbinden verbond heeft verbonden
Verdwijnen verdween is verdwenen
Vergelijken vergeleek heeft vergeleken
Vergeten vergat heeft/is vergeten
Verkopen verkocht heeft verkocht
Verkrijgen verkreeg heeft verkregen
Verlaten verliet heeft verlaten
Verliezen verloor heeft verloren
Vernemen vernam heeft vernomen
Verschijnen verscheen is verschenen
Verslijten versleet heeft versleten
Verstaan verstond heeft verstaan
Vertrekken vertrok is vertrokken
Vervangen verving heeft vervangen
Verwijzen verwees heeft verwezen
Verzinnen verzon heeft verzonnen
Verzoeken verzocht heeft verzocht
Vinden vond heeft gevonden find
Vliegen vloog heeft gevlogen fly
Voldoen voldeed heeft voldaan
Volhouden hield vol heeft volgehouden
Voorkomen voorkwam heeft voorkomen
Voorschrijven schreef voor heeft voorgeschreven
Voortkomen kwam voort is voortgekomen
Voortrekken trok voor heeft voorgetrokken
Voorzien voorzag heeft voorzien
Voorzitten zat voor heeft voorgezeten
Vragen vroeg heeft gevraagd ask
Vriezen vroor heeft gevroren freeze
Wegen woog heeft gewogen weigh
Weggaan ging weg is weggegaan
Weggeven gaf weg heeft weggegeven
Werpen wierp heeft geworpen throw
Weten wist heeft geweten know
Wijzen wees heeft gewezen point
Winnen won heeft gewonnen win
Worden werd is geworden become
Wrijven wreef heeft gewreven rub
Zeggen zei heeft gezegd say
Zenden zond heeft gezonden send
Zien zag heeft gezien see
Zijn was is geweest be
Zingen zong heeft gezongen sing
Zitten zat heeft gezeten sit
Zoeken zocht heeft gezocht seek
Zuigen zoog heeft gezogen suck
Zullen zou - shall
Zwemmen zwom heeft gezwommen swim
Zwerven zwierf heeft gezworven roam, wander
Zwijgen zweeg heeft gezwegen be silent